Volg Toni door de Vlaamse Ardennen

In het Spoor van De Ronde

Het is een vroege lentedag, half tien in de ochtend. De hemel boven Oudenaarde oogt zachtblauw, met voorjaarsslierten nevel waarop de heuvels in de Vlaamse Ardennen een patent lijken te hebben. Mensen lopen af en aan met tassen verse vis, kip, bussels prei, zoals de gewoonte is op een marktdag. In het Centrum Ronde van Vlaanderen wordt cappuccino gezet en ontvangt Freddy Maertens de eerste gasten van de dag. Stoere jongens, strak in een fietspak, klaar voor een paar dagen toeren over en op de mythische plekken van de Ronde van Vlaanderen.

We kleden ons om en registreren de tijdmetingchip waarmee we ’s anderdaags de Muur op willen, door Freddy liefkozend ‘de enkelband’ genoemd. Een paar jongens willen beneden in het museum al even virtueel uittesten hoe de Koppenberg erbij ligt. Het is een geniaal toestel, met rollen die precies zo zijn ingesteld dat je de beklimming aan den lijve ervaart. De enige échte leeuw van Vlaanderen, Johan Museeuw, bekijkt het glimlachend van aan de zijlijn. Zijn moment komt nog.

Johan legt bij een kop koffie uit hoe het parcours eruit ziet. ‘Jullie zien er sportieve jongens en meisjes uit. Ik stel voor dat jullie morgen voor de grote ronde gaan, de Rode Lus van 114 km richting Geraardsbergen. Vandaag blijven we in de buurt van Oudenaarde.’

Daar hadden we met z’n allen eigenlijk stiekem ook op gehoopt. De Rode Lus is prima geschikt voor wie sportief genoeg is om voluit te gaan, maar met toch voldoende rustpauzes om een van de heerlijke streekproducten van de Vlaamse Ardennen te proeven.

Een wonderlijke dag wordt het. De lentezon lijkt vleugels te geven. Samen met de natuur ontwaakt ook het wielerinstinct in de groep. Spieren worden losgeschud, adrenaline wordt getankt en iedereen wil het beste van zichzelf geven op de bergjes en kasseien.

Competitie is mooi, al moet het vooral amusant en vriendschappelijk blijven. Twee, drie dagen in de Vlaamse Ardennen is een feest voor het hele gezin. Of voor een groep collega’s of vrienden. Het groepsgevoel, het wij-gevoel, is erg belangrijk. Alleen fietsen is niet leuk. ’s Avonds alleen een streekbier drinken ook niet.

Hilde ontvangt de groep in haar fietsvriendelijke logies het Hof ter Kammen, aan de voet van de Koppenberg, waar we de nacht doorbrengen. Er zijn vier gastenkamers en in een afzonderlijke vakantiewoning kunnen nog eens acht personen terecht. Het Hof ademt koers.

De kamers kregen namen van bekende heuvels: Oude Kwaremont, Taaienberg, enz. ’s Morgens wordt een ontbijt geserveerd waarop je wel drie klassiekers kunt winnen. De fietsen mogen netjes op stal, zoals de mooiste raspaarden, en kunnen ook worden gepoetst en klaargemaakt voor de tweede dag.

Het gaat hard die tweede ochtend. Over de kasseien van de Haaghoek, door weidse landschappen met knoestige knotwilgen, de idyllische Bossenaremolen. De fietsen maken nu het geluid dat je kent uit de koers, het gedokker, het gedrens van een aanstormende trein, het lawaai dat zenuwen doet gieren en volksmassa’s uit elkaar doet wijken.

De groep wil nòg een keer over de Haaghoek, al was het maar om dat glas Ename of Sloeber dubbel en dik te verdienen in het heerlijke fietscafé ‘In den trap op’.

Mannen weten waarom ze na één glas tripel genoeg hebben. Als de dorst is gelest en de honger gestild, moet het richting Geraardsbergen waar de Muur wacht. Ja, de Muur. Met hoofdletter. Uit respect voor een monument. We vertrekken op de Markt, waar iedereen de tijdmetingchip (Freddy’s enkelband) activeert. Het competitiebeest wordt wakker.

Iedereen fietst op eigen ritme naar omhoog, voluit, hartslag op maximum, het gelaat verwrongen van pijn. Nergens liggen afzien en genieten zo dicht bij elkaar, daar aan de kapel op de Muur, waar de beloning wacht in de vorm van een mand ovenverse mattentaarten.